(een uitstapje naar pensioenrechten bij scheiding)

Nog niet zo heel lang geleden verschenen er berichten in de krant dat er bij een echtscheiding onvoldoende aandacht wordt besteed aan de door de (ex-)partners opgebouwde pensioenrechten. Dit zal u niet overkomen, wanneer u bijstand hebt van een advocaat, aangesloten bij de Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsbemiddelaars. Maar dit daargelaten.

Vanaf 1 mei 1995 geldt in Nederland de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding. In deze wet is bepaald, dat u en uw ex-echtgenoot bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed allebei recht hebben op een deel van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. De wet noemt vervolgens een aantal keuzemogelijkheden.

Toen deze wet nog niet gold dus voor 1 mei 1995, werden pensioenrechten verdeeld op basis van uitspraken van de Hoge Raad.

Nu komt het voor dat er in het verleden vergeten is om afspraken te maken over de verdeling/verevening van de ouderdomspensioenrechten en wat dan?  Vrij recent mocht het Gerechtshof Den Haag (6 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:716) zich over een kwestie buigen waarbij de man en de vrouw in 1970 in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd welk huwelijk in 1982 door echtscheiding werd ontbonden. Er was een echtscheidingsconvenant opgemaakt, maar daarin was niets opgenomen over de door de man opgebouwde pensioenrechten. De man gaat met pensioen in 2004 en in dat jaar schrijft mevrouw hem twee brieven waarin zij aangeeft aanspraak te willen maken op een deel van dit pensioen. De man reageert niet. 12 jaar later ontvangt de man een dagvaarding. De vrouw vordert alsnog verrekening/verdeling van het ouderdomspensioen. In deze procedure mocht het Gerechtshof een aantal beslissingen nemen. De man voert namelijk het verweer dat de vordering van de vrouw zou zijn verjaard. Daarnaast stelt hij dat er sprake is van rechtsverwerking.

Het beroep van de man op verjaring is niet gek. Want in artikel 3:306 BW is bepaald dat een rechtsvordering door verloop van 20 jaren verjaard, indien de wet niet anders bepaald. De echtscheiding is in 1982 ontbonden en de termijn van 20 jaar is al lang en breed verstreken.  Het Gerechtshof verwerpt het beroep op de verjaring en wijst er op dat in gevolge artikel 3:178 BW een deelgenoot te allen tijde een verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen en de woordjes te allen tijde, brengen met zich mee dat een vordering tot verdeling kan nimmer verjaren.

Vervolgens moest het Gerechtshof zich buigen over de vraag of het beroep van de man op rechtsverwerkingen gaat. Op zich ook geen raar standpunt van de man. Immers, in 1982 wordt de echtscheiding ontbonden, in 2004 gaat hij met pensioen. De vrouw weet dit en schrijft hem twee brieven over verrekening van het pensioen en pas 12 jaar later komt zij daadwerkelijk in actie door middel van het starten van een procedure. In de praktijk gaat een beroep op rechtsverwerking niet snel op. Want vaste jurisprudentie is dat louter en alleen stilzitten geen grond van rechtsverwerking oplevert. Daar is meer voor nodig. Er moet sprake zijn bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) te gelde zou maken, of als gevolg waarvan de positie van de man onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken. In dit geval was er feitelijk alleen maar sprake van stilzitten van de vrouw. Maar het Gerechtshof komt de man enigszins tegemoet. De Haagse raadsheren vinden dat de man onredelijk zou worden benadeeld indien hij de reeds ontvangen pensioentermijnen, vanaf 2004, de pensioendatum, nog zou moeten verrekenen met de vrouw nu de vrouw 12 jaar heeft gewacht met het ondernemen van stappen. Het Gerechtshof oordeelt dat van rechtsverwerking geen sprake is. De man zal zijn pensioen moeten verdelen, maar dit geldt niet voor de reeds door hem ontvangen termijnen.